Wat doen en wat zijn satellieten
Hoe
werken satellieten
Satelliet
banen/bewegingen
Het in een
baan om de Aarde ("in orbit")
brengen van satellieten
Satelliet
controllers
24 uur per
dag statuscontrole van de
satelliet
Hoe blijft
de satelliet op z'n plaats
Voorbereiding op verduistering
Onderlinge
afstand
Gereserveerde Frequenties voor
(mobiele en vaste)
Satellietverbindingen (WARC
1979).
Omlooptijd
van een satelliet als funktie
van de baanhoogte
Antennewinst en Bundelbreedte
van schotels bij 12 GHz.
Wat doen en wat zijn satellieten
Een satelliet is een kunstmatig
of een natuurlijk lichaam, zoals
een planeet, die 'n baan in de
ruimte heeft, bv om de Aarde. Er
zijn
verschillende kunstmatige
lichamen (satellieten) zoals bv,
communicatie- of observatiesatellieten. Het
verdere verloop van dit verhaal
betreft hoofdzakelijk
communicatiesatellieten. Communicatiesatellieten hebben
tot doel signalen te
transporteren die nodig zijn
voor Televisie/Radio,
Telefonie/Fax, en Computers (o.a.
internet).
terug
Hoe werken satellieten
Een gericht signaal wordt door
een satelliet zoals een spiegel
gereflecteerd en teruggezonden
naar de aarde De door de satellieten gebruikte
signalen (microgolven) zijn
onzichtbaar en planten zich met
de snelheid van het licht voort.
Het naar de satelliet verzonden
signaal is na enkele 10-den van
een seconde weer retour en heeft
dan een afstand van 2 x 36000 km
afgelegd.
De signalen (microgolven) zijn
door hun frequentie zeer hoog,
GigaHertzen (GHz). Deze signalen
worden overgebracht door
parabolische
antennes van de aarde naar de
satelliet. De signalen worden
geconverteerd (=
veranderd/overgezet) en
versterkt (transponder) naar
andere frequenties en vervolgens
weer naar Aarde teruggezonden.
De meeste satellieten bezitten
al gauw 'n 20-tal transponders.
Het teruggezonden signaal
(return beam of down-link) is
minder geconcentreerd dan het
opgezonden signaal (upward beam
of up-link).
Dit teruggezonden signaal
bestrijkt een groot deel van het
aardoppervlak, de zg "coveragezone"
of "footprint". Zo kan dit
signaal op
verschillende manieren
teruggezonden worden, bv een
klein, of juist een groot stuk
op Aarde. Deze "vlek" is te
vergelijken met een gebundelde
of een uitgestrekte lichtstraal.
U begrijpt dat, hoe groter deze
vlek is, ook de intensiteit
(sterkte) van het signaal minder
wordt. Vooral aan de randen van
dit gebied.Daarom zal er aan de
rand van dit signaal/gebied een
grotere schotel nodig zijn dan
voor het midden van dit gebied.
terug
Satelliet banen/bewegingen
Wanneer je een
ontvangstschotel plaatst zal je
deze uit moeten richten naar een
satelliet of een groep
satellieten (cluster).
De exacte positie hangt af van
waar de satelliet zich bevindt.
Bv. de Astra-vloot 19,2° oost of
28,2° oost, Eutelsat's Hot
Bird-vloot op 13° oost.
De aanduiding van het aantal
graden oost of west, betekent
dat de satelliet zich bevindt x
graden t.o.v. de Greenwich
Meridiaan (= 0 graden).
Satellieten kunnen zich
natuurlijk ten westen of ten
oosten begeven van dit punt.
Door het plaatsen van meerdere
satellieten op een locatie
(cluster), heeft de gebruiker
keuze uit veel meer zenders,
zonder de schotelantenne te
hoeven draaien naar een andere
positie. Een satelliet begeeft
zich in een geostationair slot
d.w.z. dat hij t.o.v. de Aarde
stilstaat. De satelliet maakt
een cirkelvormige beweging om de
Aarde en wordt "orbit" genoemd.
Om te voorkomen dat gebruikers
voortdurend hun schotelrichting
bij moeten stellen, of om
onderbrekingen van het signaal
te krijgen, is een punt gekozen
waar de satelliet dezelfde
snelheid heeft als de roterende
beweging van de Aarde. Dit punt
ligt 35786,04 km boven de
evenaar.
terug
Het in een baan om de Aarde ("in
orbit") brengen van satellieten.
Satellieten hebben geen
constante motor nodig om zich
voort te bewegen. Kleine
raketjes zorgen ervoor dat een
evt. afwijking wordt
gecorrigeerd. Ze gebruiken
gewoon hun eigen baan voor
onbepaalde tijd rond de aarde.
Deze bereikt een zekere
snelheid. De aantrekkingskracht
van de Aarde heeft geen invloed
op bv het teruglopen van de
snelheid en zijn zwaartekracht
richting Aarde is beperkt. Dit
resulteert zich in een kromming
in de weg die de satelliet
volgt. Dat betekent dat wanneer
je een satelliet in een baan om
de aarde brengt er voldoende
snelheid moet zijn, zodat de
kromming gelijk is aan die van
de aarde. Om een satelliet in de
goede baan te manoeuvreren zijn
meerdere fases nodig met
voortdurende bijstellingen.
Hierna zullen we op een aantal
van die fases ingaan.
FASE 1 - Lancering:
De functie van de
lanceerraket is om de satelliet
voldoende snelheid te geven om
eerst in een voorlopige baan te
brengen, voordat hij de
geostationaire baan bereikt.De
lancering bestaat uit
verschillende stappen. De raket
gaat met verschillende stappen
naar zijn einddoel en zal de
niet meer benodigde onderdelen
afstoten om zo voldoende (vooruitstuwende)
kracht over te houden en
brandstof te besparen.
Stap 1:
De raket schiet door de
atmosfeer de ruimte in. Het doel
van deze stap is om de
luchtweerstand te overwinnen en
de luchtlagen te doorbreken.
Stap 2:
Dit houdt in, een eerste
horizontale aanzet/ versnelling
voor een duur minder dan 2
minuten. Belangrijkste functie
van deze stap is om 'n grotere
snelheid te krijgen voor 'n
grotere opstuwing naar grote
hoogte. Het punt dichts bij
aarde, wat perigeum wordt
genoemd (200km), moet minstens
worden bereikt om zijn
elliptische baan te bereiken. De
raket is in een horizontale
positie en is klaar voor de
volgende stap. Op dit punt wordt
een beschermende schild, ter
voorkoming van atmosferische
wrijving,
afgekoppeld/afgestoten.
Stap 3:
Dit houdt in, de snelheid wordt
opgevoerd (in 12 min.) naar een
goede baan (orbit)-snelheid. Het
verst gelegen punt (orbital
position) die hij bereikt heet
het apogeum (36000 km). Wanneer
de juiste snelheid is bereikt
worden de motoren afgezet. Nu
behoudt de satelliet z'n
correcte positie door te
roteren.
FASE 2 Afstemming en
geostationaire positie:
Voordat de satelliet de
geostationaire positie bereikt,
wordt hij eerst naar de hoogste
positie van de elliptische baan
gebracht. Dit is de "transfer
orbit". Deze heeft 2 specifieke
punten nl: Perigeum (punt dichts
bij de aarde-200 km) en Apogeum
(punt verst van de aarde
af-36000 km). Ook in deze stap
worden er vele afstemmingen/
bijstellingen vanaf de aarde
gemaakt. De motoren aan boord
worden gebruikt om in de apogeum
te komen.
FASE 3 In baan testen en
testen/ instellen van de
satelliet:
In deze fase wordt de
satelliet operationeel. De
zonnepanelen worden uitgevouwen
en de zendantennes worden
aangezet. Alle functies worden
nu doorlopen om er zeker van te
zijn dat alle vitale onderdelen
goed werken.
terug
Satelliet controllers
De levensduur van de
satelliet begint pas echt als
hij in zijn baan om de Aarde is.
De satelliet is blootgesteld aan
extreme omstandigheden (-100°
tot +200°), niet te vergeten dat
na de lancering er geen stuwing
/ aandrijving van de raket meer
is. Elke fout in dit stadium kan
fatale gevolgen hebben en het is
heel makkelijk het zeer
belangrijke werk in het
controlecentrum te vergeten. Ook
na het operationeel worden van
de satelliet gaat dit werk
door.De transmissie en onderhoud
van de 100-den kanalen hangt af
van het werk dat in deze "control
rooms" gedaan wordt.
terug
24 uur per dag statuscontrole
van de satelliet
Om de
gebruikers/kijkers, die hun
favoriete programma's kijken,
bescherming te bieden zonder
onderbrekingen, worden er vanuit
het controlecentrum alle
programma's 24 uur per dag, 365
dagen per jaar gemonitored. Er
bestaat dus ook 24 uur per dag
contact tussen dit centrum en de
verschillende sensoren aan boord
van de satelliet(en). Ook wordt
de verzamelde data door de
sensoren, door de satelliet
verstuurd naar 1 van de 3 "Earth
stations" en vervolgens naar het
satellietcontrolecentrum
gestuurd om geanalyseerd
te kunnen worden. Dit centrum is
in staat, om de satelliet vanaf
de grond te besturen.
terug
Hoe blijft de satelliet op
z'n plaats
Een van de essentiële
taken van de controleurs is om
een eventuele afwijking omtrent
de positie te voorkomen. Om uw
ontvangstantenne niet bij te
hoeven stellen/draaien, zal de
satelliet binnen een
denkbeeldige ruimte van 150 km²
gehouden moeten worden en dat
zo'n 36.000 km boven de aarde.
Een heleboel factoren kunnen de
baan en de positie van de
satelliet op deze baan
beïnvloeden. Zoals: De
zwaartekracht van zon en maan,
onregelmatige aantrekkingskracht
van de aarde en zonnewind. Zulke
verstoringen resulteren in een
afwijking van de positie en
heeft de volgende consequenties
voor de bewegingen over z'n 3
assen (X-, Y- en Z-as):
lengtedrift van de satelliet,
veranderingen in het baanvlak en
toenemende afwijkingen uit z'n
centrale punt. Het
controlecentrum waakt daarom
voortdurend op al deze feiten.
De satelliet is uitgerust met
een centrale computer en
aangesloten sensoren om zelf
correcties uit te voeren, maar
menselijk ingrijpen blijft
onmisbaar. Elke 2 weken zal het
nodig zijn om een satelliet
kleine correcties te geven. De
kleine "gasjetmotoren" aan boord
zorgen dan voor de juiste
beweging om weer in de goede
baan te komen.
terug
Voorbereiding op verduistering
In de herfst en in het
voorjaar, als de dag en nacht
even lang duren, zullen de
zonnepanelen gedurende 4 - 72
minuten per dag geen
zonnestralen kunnen ontvangen.
Dit vindt plaats in een periode
van totaal 46 dagen. Het
resultaat hiervan is tijdelijk
geen gebruik kunnen maken van
zijn hoofdkrachtbron, en een
belangrijke daling van z'n
temperatuur. Om deze periodes
van het jaar aan te kunnen, zal
het controlecentrum de
apparatuur aanpassen. Zij zal de
volgende acties ondernemen: Ze
gaan na of de back-up
batterijen/accu's voldoende
energie hebben om de satelliet
gelijkwaardig te kunnen voeden.
Deze worden bij normaal bedrijf,
opgeladen door de zonnepanelen.
De accu's zullen minimaal 65 A/h
per transponder kunnen leveren
om het continu doorzenden te
kunnen garanderen. Het
herconfigureren van het
verwarmingssysteem om de interne
temperatuur tussen 0 en 20° C te
houden, terwijl de
buitentemperatuur kan dalen tot
-100° C. Dit houdt in, dat alle
systemen aan boord normaal
kunnen functioneren.
terug
Onderlinge afstand
In onderstaande
tabel de door de CCIR aanbevolen
onderlinge afstand tussen twee
satellieten.
|
Frequentiegebied |
Minimale
Satellietafstand in
lengtegraden |
|
|
Nu |
Toekomst |
4 - 6
GHz (c-band)
1 - 14 GHz
(k-band)
20 - 30 GHz
(ka-band) |
3,5°
2,0°
1,5° |
2°
1°
0,5° |
terug
Gereserveerde Frequenties voor
(mobiele en vaste)
Satellietverbindingen (WARC
1979).
Frequentiegebied
(MHz) |
Bandbreedte
(MHz) |
Sat.-Aarde
Aarde-Sat. |
Toepassing |
1530 - 1535
1535 - 1545
1544 - 1545
1545 - 1559
1559 - 1610
1626,5 - 1645,5
1645,5 - 1646,5
1646,5 - 1600
1660 - 1660,5
1670 - 1710
2500 - 2655
2655 - 2690
3400 - 4200
4500 - 4800
5725 - 7075
7250 - 7300
7300 - 7450
7450 - 7550
7550 - 7750
7900 - 8025
8025 - 8400
10700 - 11700
11700 - 12500
12500 - 12750
12750 - 13250
14000 - 14470
14470 - 14500
14500 - 14800
17300 - 17700
17700 - 18100
18100 - 19700
19700 - 21200
22550 - 23550
27500 - 29500
29500 - 30000
30000 - 31000
32000 - 33000
37500 - 39500
39500 - 40000
|
5
9
1
14
51
19
1
13,5
0,5
40
155
45
800
300
1350
50
150
100
200
125
375
1000
800
250
500
470
30
300
400
400
1600
1500
1000
2000
500
1000
1000
2000
500 |
S - A
S - A
S - A
S - A
S - A
A - S
A - S
A - S
A - S
S - A
S - A
S - A
S - A
S - A
A - S
S - A
S - A
S - A
S - A
A - S
A - S
S - A
S - A
S - A
A - S
A - S
A - S
A - S
A - S
S - A
S - A
S - A
S - S
A - S
A - S
A - S
S - S
S - A
S - A
|
MM
MM
MM + a
AM
RmS
MM
MM + a
a
a
meteorologie
BS
BS
FSS
FSS
FSS
FSS/MS
FSS
FSS;meteo
FSS
FSS;MS
FSS
FSS
DBS/FSS
FSS
FSS
FSS;LM
FSS;LM
FSS
FSS
FSS
FSS;MS
ISL
FSS
FSS;MS
FSS;MS
ISL
FSS
FSS;MS |
a
= aeronoutical
BS =
Broadcasting Satellites
DBS = Direct Broadcasting
Satellietes
FSS = Fixed Satellites
Services
ISL =
Inter-Satellites Links
LM = Land - Mobile
MM = Maritime- Mobile
MS = Mobile Services
terug
Omlooptijd van een satelliet als
functie van de baanhoogte
|
Baanhoogte (km) |
Snelheid (km/s) |
Omlooptijd (h:m:s) |
250
440
830
1630
3630
13630
35887 |
(space
shuttle-werkhoogte)
7,66
7,44
7,06
6,31
4,47
3,07 |
1,5 h
1:33:00
1:41:20
1:58:41
2:45:38
7:49:43
24:00:00 |
terug
Antennewinst en Bundelbreedte
van schotels bij 12 GHz.
|
Diameter (m) |
Oppervlak (m²) |
Antenne-
winst (dB) |
Bundel-
breedte (°) |
0,30
0,60
0,90
1,20
1,50
2,00
3,00
4,00
5,00
10,00 |
0,035
0,14
0,31
0,56
0,88
1,57
3,53
6,28
9,81
39,25 |
29,4
39,0
41,5
43,5
46,0
49,4
51,9
53,9
59,9 |
5,78
2,90
1,92
1,44
1,15
0,87
0,58
0,43
0,34
0,17 |
|